Opvoeden volgens de Gordon-methode
Liefdevol communiceren met kinderen

Hoe zou het zijn als je als ouder of opvoeder nóg beter met je kind leert omgaan dan je al doet? Volgens orthopedagoog en Gordon-trainer Jantine Peters geeft de Gordon-opvoedmethode alle nodige handvaten om liefdevol en effectief met kinderen te communiceren. Ze schreef er een boek over.

Tekst: Belinda Fallaux

Kinderen opvoeden is een prachtige taak. Het is niet altijd gemakkelijk om goed en duidelijk te communiceren met kinderen, maar het is wel heel belangrijk, aldus Jantine Peters. ‘Goed communiceren is de basis voor een sterke relatie tussen de opvoeders en het kind. En die relatie is van wezenlijk belang voor het welzijn, het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van een kind.’

Bewust kijken en luisteren
Maar hoe doe je dat? Volgens de Gordon-methode, een positieve, liefdevolle opvoedmethode, is de sleutel voor effectieve communicatie actief en heel bewust kijken en luisteren naar het gedrag van een kind. Daardoor leer je de gevoelens en behoeften van het kind kennen. Als je daar vervolgens woorden aan geeft, kun je inspelen op het kind en tezelfdertijd je eigen behoeften en gevoelens kenbaar maken.

Minder conflicten
Veel volwassenen kijken daar iets anders tegenaan. Ze hebben vanuit hun eigen opvoeding meegekregen dat ouders hun kinderen dingen moeten leren. Jantine: ‘Dat uitgangspunt is in onze cultuur ‘ingebakken’, maar maakt soms ook dat we ons boven kinderen zetten. Als je als volwassene gaat bepalen wat goed en slecht is, leidt dat bij een kind veelal tot verzet of sluimerend ongenoegen. Natuurlijk is het belangrijk om een kind te helpen bij wat het niet zelf kan, maar het is goed om het te laten zijn wie hij is. Door liefdevol te communiceren, heb je minder conflicten. Een kind voelt zich geaccepteerd in zijn behoeften en emoties en voelt zich begrepen. Je geeft het de boodschap: je mag er zijn, je bent het waard. Dat geeft een kind zelfvertrouwen en versterkt een positief zelfbeeld.’

In haar boek Liefdevol communiceren met jonge kinderen gaat Jantine Peters in op de acht principes van de Gordon-methode. In KIDDO licht Jantine deze stappen kort toe aan de hand van praktische voorbeelden die goed toepasbaar zijn in de kinderopvang.

1 Kijk goed naar het kind
Leer om zonder oordeel naar een kind te kijken. Feitelijk gedrag (dat wat een kind doet) en de gedachten en gevoelens die jij als opvoeder daarbij hebt, zijn twee verschillende dingen. Probeer die te scheiden. En vooral: om de behoefte of de emotie achter het gedrag van je kind te zien en die te accepteren.
Een voorbeeld. Een eenjarig kind in je groep vindt het leuk om de ene bak speelgoed na de andere leeg te gooien. Je kunt denken: wat een vervelend jongetje. Maar dat is jouw oordeel. Als je goed kijkt naar dit gedrag en kennis hebt van de ontwikkelingsfases van jonge kinderen, herken je een behoefte. Dit kind wil verzamelen, het leert spelenderwijs rekenen en sorteren, is aan het onderzoeken. Tezelfdertijd heb je zelf ook behoeften: dat niet de hele ruimte vol ligt met speelgoed. Vraag je af hoe je aan beide behoeften tegemoet kunt komen, bijvoorbeeld door de ruimte waarin het kind speelt af te bakenen.

2 Bied uitdaging en houvast
Een kind heeft baat bij duidelijkheid en vaste structuren. Het geeft hem vertrouwen en grip op de wereld om hem heen. Hij leert erdoor begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Structuur kun je op drie vlakken bieden.

  • Structuur in de ruimte geeft een kind houvast. Richt de omgeving dus overzichtelijk in, met vaste plekken voor alles. Een dreumes vindt het fijn om dingen op de juiste plek terug te zetten. Speelgoed in de bakken, soort bij soort, en de jas aan de kapstok. Leg geen overdaad aan speelgoed neer, maar beperk het tot enkele interessante speeltjes. Zorg daarbij wel voor uitdaging die past bij de leeftijd en kies spelmateriaal dat zowel de fijne als de grove motoriek aanspreekt.
  • Structuur in gedrag is ook van belang. Leer een kind enkele duidelijke gedragsregels aan die jij echt belangrijk vindt, die een functie hebben en die je zelf ook voorleeft. Duidelijkheid daarin maakt een kind sneller zelfstandig; het weet wat er van hem verwacht wordt. Bijvoorbeeld: binnen lopen we buiten mag je rennen. Of: we kijken iemand aan die tegen ons praat.
  • Ook structuur in de tijd – een ritme in de dag – geeft een kind duidelijkheid. Niet weten wat er komt maakt een kind onzeker, maar voorspelbaarheid geeft rust.

3 Wees duidelijk
Zeg je weleens ‘Goed zo!’ tegen een kind? Het is een opmerking die je vanuit de beste bedoelingen maakt, maar eigenlijk is hij niet duidelijk. Want wat ís er dan zo goed? Het voelt voor een kind aan alsof jij hem vanuit jouw normen beoordeelt. Duidelijker is om te benoemen wát je zo prettig vindt: Bijvoorbeeld: ‘Wat fijn dat je zelf de blokken hebt opgeruimd voordat je met de puzzel ging spelen.’ Hiermee erken dat je het kind echt hebt gezien.
Wees duidelijk in al je handelingen met kinderen. Benoem altijd wat je doet en gaat doen, zodat het kind voorbereid is en niet onaangenaam verrast wordt. Jantine: ‘In mijn training doen pedagogisch medewerkers een ervaringsoefening. Eén groep zit op de grond en de anderen benaderen hen onaangekondigd van achteren om een denkbeeldige snotneus af te vegen. Dat komt bij de zittende groep meestal enorm binnen, ze schrikken ervan. Maar zo ervaart een kind het dus ook als je zonder iets te zeggen z’n neus afveegt of een slabbetje over z’n hoofd trekt. Benoem en laat zien wat je gaat doen, zo van: ik zie dat je een snotneus hebt, die ga ik met deze tissue even afvegen. Of: ik ga nu je luier verschonen, dit billendoekje kan een beetje koud zijn. Zo is het kind voorbereid. Hou er rekening mee dat jonge kinderen veel verwerkingstijd nodig hebben; het duurt even voor het binnenkomt wat je zegt. Vertraag je tempo dus en wacht op een reactie voor je de volgende handeling doet.’

4 Luister actief
Actief en empathisch luisteren is het hart van de Gordon-methode. Het betekent dat je goed observeert hoe een kind zich voelt en dat verwoordt. Stel, een kind valt en doet zich pijn, zeg dan niet: ‘Ach, het valt wel mee’,  maar benoem wat je waarneemt en leg uit wat er gebeurt. ‘Oh, je hebt je pijn gedaan hè, dat zie ik, en ik zag dat je struikelde.’ Door woorden te geven aan de gevoelens van een kind voelt hij zich erkend en begrepen en snapt hij wat voor emoties er in hem omgaan. Daardoor leert hij zichzelf beter kennen.

5 Stel grenzen
Voor opvoeders is het vaak een belangrijke vraag wat je moet doen met onacceptabel gedrag. Als je de eerste vier vaardigheden beheerst, kun je op dezelfde manier grenzen stellen. En dat is ook nodig, want soms laat een kind echt onacceptabel gedrag zien, bijvoorbeeld slaan en bijten. Haal het kind niet uit de situatie – voor straf op de bank zitten is niet effectief of liefdevol en je stelt er alleen maar het voorbeeld mee dat je je macht gebruikt – maar confronteer het kind in de situatie zelf met wat hij heeft gedaan en wat daarvan het gevolg is. Laat bijvoorbeeld zien hoe zijn tandafdrukken in de arm van het andere kind staan en zeg: ‘Ik schrik ervan dat je Isa bijt. Kijk, ze moet ervan huilen. Kom, we doen er samen een waslapje op.’
Probeer ook te kijken vanuit welke behoefte het kind dit doet. Heeft het behoefte aan positieve aandacht? Geef dan extra aandacht.

6 Schakel over
Er kunnen soms situaties zijn waarin het effectief is om over te schakelen tussen twee vaardigheden als grenzen stellen en actief luisteren.
Een voorbeeld. Stel, een kind trekt aan de haren van een ander kind. Je confronteert het kind ermee, waarbij je benoemt wat je ziet en ook het gevolg benoemt (‘nu heb je een hele pluk haar in je hand en Femke heeft pijn’). In reactie daarop het kind in verzet: ‘Ja, maar zij begon!’ Nu kun je overschakelen naar actief luisteren en begrip tonen voor het verzet. ‘Oh, dus zij heeft dat ook bij jou gedaan. Dat is niet leuk hè.’ Vervolgens schakel je weer over naar de ‘confronterende’ boodschap: ‘En toch doet het Femke pijn als je haar aan de haren trekt.’ Door te schakelen tussen actief luisteren naar de achterliggende gedachte en grenzen stellen zorg je ervoor dat het kind zich begrepen voelt. Het kan veel strijd voorkomen als je het verzet van een kind als acceptabel aanvaardt en er actief naar luistert.

7 Los conflicten samen op
Overschakelen doe je niet oneindig; uiteindelijk wil je een oplossing. Volgens de Gordon-opvoedmethode ga je daarvoor niet in de autoritaire modus staan (door bevelen uit te delen) en kies je ook niet voor een toegeeflijke houding, maar voor de overlegmethode. Dit is een methode zonder verliezers. Je probeert samen tot een oplossing te komen die aan ieders behoeften voldoet.
Stel, alle kinderen op de groep gaan buitenspelen, maar er is één kind dat binnen wil blijven. Je hebt al een paar keer tevergeefs overgeschakeld. De volgende stap is om goed te luisteren naar zijn behoefte. Wat zit achter zijn wens om binnen te blijven? Is het kind misschien bang dat als hij naar buiten gaat, een ander kind zijn knutselwerk kapotmaakt? Geef ook je eigen behoeften aan. Zeg bijvoorbeeld: ‘Ik vind het belangrijk dat je naar buiten gaat.’ Vraag: ‘Hoe lossen we dat nu op?’ Zoek vervolgens samen naar een oplossing. Niet alleen is er zo wederzijds respect, maar je leert kinderen ook om onderlinge conflicten op te lossen door samen te werken en rekening met de ander te houden.

8 Geef het goede voorbeeld
Kinderen leren door te imiteren. Wat je doet is belangrijker dan wat je zegt. Geef dus zelf het goede voorbeeld door in al je relaties met empathie naar de ander te luisteren. Is dat moeilijk? Jantine: ‘Het vergt oefening, maar het kan zeker een tweede natuur worden. Op deze manier met kinderen communiceren doe je uit liefde. Het geeft rust en bespaart je op de lange termijn tijd, omdat je minder strijd en verzet krijgt.’

https://www.kiddo.net/liefdevol-communiceren-met-kinderen/1028436

Meer lezen?

Liefdevol communiceren met jonge kinderen

https://www.swpbook.com/zoeken?q=jantine+peters

Jantine Peters
Uitgeverij SWP
ISBN 978 90 8850 873 0 / NUR 854